NIEUWSBRIEF

Actuele informatie over onze cursussen in je mailbox. Aanmelden

Nieuws

De arbeidsinspectie hinkt op twee benen

De arbeidsinspectie hinkt op twee benen

17 maart 2014 | Arbeidsmiddelen, Inspectie SZW

Je tot het uiterste inspannen om zo veilig mogelijk te werken en toch een hoge boete krijgen van de Inspectie SZW? Het kan door onduidelijkheid in het Arbobesluit.

Recentelijk hebben enkele bedrijven hoge boetes gekregen omdat naar aanleiding van een ongeval door de inspectie geconstateerd werd dat zij bepaalde zaken niet op orde hadden terwijl zij zich toch maximaal hebben ingespannen. Een van de gevallen wordt hier kort toegelicht.

Een medewerker van een bedrijf greep met zijn hand in een niet geheel afgeschermde machine en raakte ernstig gewond. Het ongeval werd netjes bij de Inspectie SZW gemeld, die vervolgens een onderzoek instelde. Daarbij werd gekeken naar de volgende zaken

  • Had het bedrijf in algemene zin zijn arbozaken op orde: goed beleid, juiste verantwoordelijkheidverdeling, goede procedures, een actuele en volledige RI&E, enz.

  • Had de betreffende medewerker voldoende voorlichting en instructies gekregen

  • Werd in voldoende mate daadwerkelijk toezicht gehouden?

Aan alle drie de zaken voldeed het bedrijf in ruime mate. Sterker nog het bedrijf spande zich al jaren lang buitengewoon in om een vooraanstaand bedrijf op arbogebied te zijn en bespaarde kosten noch moeite op dit gebied. Als dat bedrijf op de veiligheidscultuurladder zou moeten worden getypeerd, zou deze als pro-actief of zelfs vooruitstrevend (excellent) kunnen worden gekenschetst.

Waarom dan toch die boete?

Het bedrijf kon alle drie bovengenoemde zaken prima aantonen, echter op één punt ging het ‘niet goed’. Het had een actuele risico-inventarisatie en -evaluatie, waarin ook betreffende machine was beschreven en de ontbrekende afscherming benoemd was. Daarbij was geconstateerd dat dit een potentieel risico opleverde, maar deze was als zéér laag beoordeeld.

Bij die beoordeling was een wegingsmethode gebruikt waarbij terecht ook gekeken werd naar de blootstellingsfactor: hoe vaak en hoe lang en door hoeveel medewerkers aan deze machine wordt gewerkt. Bij betreffende machine was vastgesteld dat deze slechts door 1 of 2 medewerkers werd gebruikt en dan nog maar zéér incidenteel, hooguit 1 of 2 keer per jaar een half uurtje. Op basis van het product van waarschijnlijkheid en blootstellingsfactor en mogelijk effect/gevolg (R=WxBxE), werd dit risico als zeer laag ‘gerankt’. Zo werd dit risico netjes met een lage risicoscore in het plan van aanpak in de RI&E rapportage opgenomen.

Vervolgens werd op basis van de beschreven risicoscores een prioritering vastgesteld in de te nemen maatregelen. Op basis van deze lage risicoscore werd aan het herstellen van deze zaak geen hoge prioriteit toegekend: de grotere risico’s gingen voor. Alles volgens het boekje.

Er was echter voorbijgegaan aan het feit dat, met het ontbreken van de afscherming van een bewegend machinedeel, een feitelijke bepaling in het Arbobesluit werd overtreden. Artikel artikel 7.7 schrijft voor dat bewegende delen moeten zijn afgeschermd. Daarbij maakt het niet uit of die machine elke dag wordt gebruikt of slechts een keer per jaar.

Duale wetgeving

De wetgeving is hierover enigszins misleidend. Aan de ene kant wordt gesuggereerd dat gevaren en risico’s via een risico-inventarisatie mogen worden gewogen (probabilistische of kansbenadering) en gefaseerd mogen worden aangepakt via een plan van aanpak.

Maar aan de andere kant staan er stellige (deterministische) voorschriften in (geboden en verboden en regels waar men zich aan moet houden.

Het gevolg hiervan kan zijn dat juist in die gevallen waarbij strikt aan de wetgeving wordt voldaan, de kans bestaat dat de aanpak van grotere risico’s onnodig lang blijft liggen. Geld en tijd worden besteed aan het aanpakken van de verplichte wettelijke zaken die daar mogelijk slechts kleine of te verwaarlozen risico’s opleveren.

Dat kan toch ook niet de bedoeling zijn?

Bijzonder is dat er eigenlijk een grote onduidelijkheid en inconsequentie in de interpretatie van de wet zit, terwijl vrijwel niemand dat beseft of er zich druk over lijkt te maken. De ruimte en vrijheid om risico’s te wegen en in de tijd gefaseerd aan te pakken, geldt blijkbaar alléén voor die zaken die niet al stellig (deterministisch) als gebod of verbod in de wetgeving zijn voorgeschreven. Door de grote eenzijdige aandacht voor het instrument risico-inventarisatie en –evaluatie kunnen bedrijven (en adviseurs) echter op het verkeerde been zijn (en worden) gezet. Vervolgens worden momenteel vaak alle risico’s gewogen en via verbetermaatregelen in de tijd gefaseerd uitgevoerd volgens een plan van aanpak. Daarbij wordt voorbij gegaan aan het verplichte minimumpakket waarbij zaken direct moeten worden aangepakt.

Spagaat

De bedrijven kunnen hiervan het slachtoffer worden als degene die de RI&E uitvoert dit beeld niet scherp heeft en vervolgens de bedrijven verkeerd adviseert. Wanneer dit beeld echter wel duidelijk is kan het een spagaat voor bedrijven en adviseurs zijn: eerst de wettelijke overtredingen wegwerken of juist eerst de grotere risico’s aanpakken?

Een interessante vraag is hoe men reageert als wel netjes aan de wet is voldaan, maar door het daardoor langer in stand blijven van grotere risico’s een ernstig ongeval gebeurt. In een komend nummer van het maandblad Arbo wordt uitvoeriger op deze materie ingegaan.

Auteurs: Wim van Alphen, veiligheidskundige/arbeidshygiënist PHOV en Dick Oosthuizen, student bedrijfseconomie Vrije Universiteit

Bron: Bron: HVK-scriptie: “Het belang van eenduidige interpretatie van de termen gevaar en risico in de Arbowet.” van W.K. van den Bergh, september 2013
Deze site kan gebruik maken van cookies. Klik hier voor meer informatie en onze privacyrichtlijnen.
[X - sluiten]